1 mei 2021 – Vandaag in het AD een groot interview met Cor (‘Cesar’) Zuiderwijk, meer dan vijftig jaar drummer van de Haagse band Golden Earring. De groep stopte abrupt met muziek maken nadat de ziekte ALS was vastgesteld bij oprichter/gitarist George Kooymans.
Ik ben geboren en opgegroeid in dezelfde straat als George, de Haagse Hulshorststraat in de wijk Rustenburg-Oostbroek, niet ver van het Zuiderpark. De straat is een paar honderd meter lang en loopt van de Dierenselaan tot de Staverdenstraat. Drie zijstraten verdelen haar in vier gelijke ‘blokken’. George woonde in deel 3, ik in deel 4 en onze blokken werden gescheiden door de Terletstraat, een drukke straat met veel doorgaand verkeer, waaronder buslijn 25 die de nieuwe wijken verbond met het centrum van de stad en station Hollands Spoor. Hoewel ik een schoolvriend had in George’s deel, vormde de Terletstraat een natuurlijke barrière, die verhinderde dat George en ik elkaar vaak troffen. Het waren in praktische zin verschillende werelden waarin wij leefden.
Twee keer kwam ik George tegen: één keer bewust en een tweede keer bij toeval. De eerste keer was medio jaren ’60. Voor de schoolkrant zou ik Bojoura interviewen, een Haagse zangeres van wie bekend was dat de leden van Golden Earring haar hadden ‘ontdekt’.
Op een dag zag ik George en Rinus (Gerritsen, bassist van de Earring) door de straat lopen. Ik trok de stoute schoenen aan en vroeg of ze het adres en eventueel een telefoonnummer van de zangeres hadden, zodat ik haar voor de schoolkrant kon interviewen. ‘Wat leuk joh!’ reageerde George, en hij gaf me zonder aarzelen het adres en het telefoonnummer (andere tijden, andere gewoonten). Bojoura woonde in het Bezuidenhout bij haar ouders en ze stemde onmiddellijk in met een interview. Van het gesprek herinner ik me alleen nog dat ze net zo verlegen als de interviewer was, aan de weergave van het vraaggesprek heb ik ‘geen actuele herinnering’.
De tweede keer dat ik George in de Hulshorststraat trof was op een warme zondagmiddag in de jaren ’80 toen ik met vrouw en kinderen op bezoek ging bij opa en oma. George slenterde in korte broek, kind aan de hand en in mijn ogen aanzienlijk grijzer dan op promotiefoto’s en tijdens optredens, door ‘mijn’ deel van de straat. Daar liep geen rock ’n roll held die in lederen pantalon zijn publiek opzweepte met Radar Love, When the lady smiles of de Twilight Zone, maar een vriendelijke vader die ongetwijfeld ook bij opa en oma in zijn geboortehuis op bezoek was en even een ommetje maakte door zijn oude buurt, misschien voor een ijsje op de Nunspeetlaan. Hij groette vriendelijk. Straatgenoten onder elkaar.

Jan Janssen was een zeikertje

Oktober 2020 – ‘Ik was een zeikertje als het om mijn materiaal ging. Het moest altijd perfect in orde zijn.’ Aldus oud-Tourwinnaar en wereldkampioen wielrennen Jan Janssen. Ik sprak hem in 1995 voor het boekje ‘Ons beroep op kunststof’, een uitgave ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van de Nederlandse Federatie voor Kunststoffen (NFK). Opdrachtgever was freelancejournalist Anton Stig, de man met wie ik in de jaren ’80, ’90 en 2000 regelmatig coproducties maakte. Tot mijn schrik overleed Anton in september 2020, slechts 65 jaar oud.
Jan Janssen was een aimabele gesprekspartner, een man aan wie je geen vragen hoefde te stellen om hem aan het praten te krijgen. Jan gaf toe dat hij als renner van de oude stempel hechtte aan traditionele materialen (‘Ik vind een gespaakt wiel nog altijd mooier dan een kunststofwiel’), maar hij gaf toe dat moderne materialen wel hun voordelen hadden (‘Een kunststof wiel gaat wel vijf kilometer per uur harder‘). Carbon frames waren beter dan metalen frames, gaf Janssen toe, en kunststof stuurlint hoefde niet na elke rit te worden vervangen. Het was met tegenzin, maar de oud-Tourwinnaar gaf toch wel ruiterlijk toe dat alle vernieuwingen verbeteringen waren. Zo was zijn oude wollen koersbroek ‘lekker ademend’, maar als ze gekrompen waren stond hij een kwartier te trekken om de pijpen over zijn dijen te trekken, terwijl ze in de wedstrijd weer alle kanten op slobberden.

September 2020 – Onlangs verscheen de Fiets Scheurkalender 2021, een uitgave van Kosmos Uitgevers (Utrecht en Antwerpen). Peter Tetteroo, Henk Tetteroo en Daan Rieken vormen de redactie van het werkje vol wielerwetenswaardigheden. Ik schreef er een paar bijdragen voor over mijn ontmoetingen met wielrenners, zoals Bernard Hinault. De vijfvoudig Tourwinnaar had een koosnaam: le blaireau, door velen in Nederland vertaald in ‘de das’ (een klein roofdier uit de familie der marterachtigen, legt Wikipedia uit). ‘Fout!’ schreef journalist Gijs Zandbergen ooit in De Volkskrant. ‘Verkeerd vertaald! Blaireau betekent (ook) scheerkwast.’ Een ploeggenoot had Hinault zo genoemd toen hij op een dag in het peloton verscheen met een zweetband in zijn haar en zijn hoofd overeenkomsten vertoonde met het scheergerei, corrigeerde Zandbergen. Zandbergens uitleg was onweerlegbaar, maar Hinault vond de vergelijking met een scheerkwats quatsch. Toen ik hem in 1985 bezocht vielen me een aantal opgezette dieren in zijn Bretonse woning op. ‘Dassen’, wees Hinault op de verstilde roofdieren. ‘Jagers, die zich heel lang stilhouden, hun prooi bespieden, toeslaan en verdwijnen. Volgens Hinault had oud-renner Georges Talbourdet hem met het dier vergeleken. ‘Het was de spijker op zijn kop: soms was ik een wedstrijd niet geïnteresseerd in de uitslag en stapte ik af, dan schreef de pers me af. Maar ze wisten niet dat ik mijn zinnen had gezet op een andere prooi, een andere wedstrijd, die ik vervolgens won. Iedereen was dan verbaasd.’
Is Hinault een rare (scheer)kwast die de werkelijkheid een beetje naar zijn hand zet? Het zal altijd een mysterie blijven. De kalender ligt in de boekhandel.

Fred

Augustus 2020 – Er zit een kikker in de tuin, laat ik hem Fred noemen. Opeens was hij er, op een kille ochtend in het vroege voorjaar. Zijn kont draaiend in het waterschaaltje voor Eddy de Egel en dorstige mezen. Twee groene poten achteloos op de rand van het bad, sigaartje in de mond, glaasje bij de hand. De sloot aan gene zijde van de schutting werd hem te vol. ‘Geen doen, met die corona’, vertelde hij ons. ‘Afstand houden? Ho maar.’ En de geheimzinnige verdwijning van neef Karel had hem bang gemaakt. Een oude baars had gezien hoe Karel zich roekeloos naar de oppervlakte had begeven en was opgeslokt door een foeragerende reiger. Het was het gesprek van de dag.

De herinrichting van het vogelbadje kostte hem een dagdeel: helder drinkwater vloeide over het gazon en werd vervangen door een kop stinkende groene drab die hij uit de sloot liet brengen. Of we wilden stoppen met onze dagelijkse verversing van het water, luidde zijn bevel. Hij badderde graag in zijn eigen vuil. Hij noemde het zijn habitat. O ja: en geen foto’s. Hij hechtte aan zijn privacy. Sindsdien zit hij er, borrelend onder water of ontspannen op de rand; neus in de wind, knieën over elkaar, puzzelboekje op zijn schoot.

Af en toe komen we hem tegen, banjerend onder het bladerdak van de woekerende wingerd. ‘Even de benen strekken’, legt hij uit. ‘Belangrijk om de spieren in conditie te houden.’ Ter illustratie zet hij aan voor wat een kikkersprong zou moeten zijn. ‘Dat gaat nog best, Fred’, complimenteren we hem, want zijn ego is kwetsbaar.

Dat komt: Fred is vrijgezel gebleven. In het voorjaar hield hij ons nachtenlang wakker met geile kikkerpraatjes waar de vrouwtjes niet warm van werden. Ze flaneerden in de buurt, maar zodra ze Freds tiny house ontdekten vluchtten ze giechelend naar de sloot. ‘Twee minuten soppen en je bent klaar’, riep Fred zijn vluchtende bruiden na, maar zijn promopraatjes bleven vruchteloos. ‘We kijken nog even verder’, hoorden wij de vrouwtjes kirren. Zo bleef Fred alleen, maar hij draagt zijn lot als een vent. ‘Zo’n vrouwtje is leuk, maar er moeten natuurlijk kinderen komen,’ legt hij ons uit, ‘en daarvoor is jullie bakkie te klein.’

‘Jullie bakkie.’ Het is opeens ‘ons bakkie’ en Fred is eisen gaan stellen. Wat we dachten te doen aan de kou in de naderende wintermaanden. Een dagelijks portie handwarm water was het minste, vloerverwarming en isolatie eigenlijk een vanzelfsprekendheid. Of we wisten wat duurzaam wonen was en of weleens van de universele rechten van de kikker hadden gehoord.
De verhoudingen zijn dus wat verstoord. Fred is niet meer de moppen tappende badgast van het voorjaar. We zien hem ook minder. Hij zal er zijn, ergens onder de rottende begroeiing, studerend op het jongste bouwbesluit en de Leegstandswet. Maar de fut is eruit, we voelen het allemaal. Vanochtend meldde Ed zich bij het klompenhok: wanneer onze kraker was opgedonderd: hij stierf van de dorst.

Studenten in
beleggersland

Mei 2020 – Van 2000 tot in 2007 werkte ik als journalist aan het clubblad van de georganiseerde notarissen in Nederland, de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie. Sietze Kornelis, notaris in Amsterdam, was lid van de redactieraad, het orgaan dat erop moest toezien dat het journaille geen misbruik maakte van de geboden vrijheid. Ik leerde Sietze kennen als een ruim- en meedenkend redactieraadslid en vooral als een bijzonder aardig, altijd opgeruimd mens.
In zijn Groningse studententijd stond Sietze aan de basis van een ‘beleggingsmaatschappij’ die de stichters vernoemden naar het studentenhuis dat zij bewoonden, aangevuld met het jaar van oprichting.
De ambitie van de ondernemende studenten was niet buitenproportioneel: ze waren content als het gezamenlijke beleggingsresultaat uiteindelijk voldoende zou zijn om de begrafeniskosten van ieder der de beleggers te dragen. Ondanks die gematigde ambitie spande het er geregeld om of het doel zou worden gehaald.
Na zijn pensionering nam Sietze het op zich de geschiedenis van de beleggingsclub op papier te zetten onder het motto ‘we waren niet de oudste of meest succesvolle beleggingsclub van Nederland, maar we schreven wel geschiedenis.’ Met enige regelmaat trof ik de notaris/belegger/auteur op een terras om over zijn schrijfvorderingen te praten. Steevast kreeg ik bij het afscheid een keurig geordende bundel papier mee met de vraag de tekst door te nemen en van positief kritische opmerkingen te voorzien.
In mei 2018 namen wij afscheid na weer een zonnig ‘werkoverleg’ en ik zag Sietze vertrekken, vrolijk zwaaiend, zonnebril op het hoofd, hard top van de bekraste Volvo in zomerstand. De afspraak voor de volgende ontmoeting lag vast.

Sietze Kornelis 1946-2019
(Foto Truus van Gog)

Het kwam er niet meer van. Sietze werd ziek, leefde maanden tussen hoop en vrees, en moest uiteindelijk het hoofd buigen voor de ziekte die hem sloopte. Kort voor zijn overlijden in februari 2019 vroeg hij mij zijn jubileumboek af te ronden en klaar te maken voor publicatie. Uiteraard stemde ik in.
Op basis van zijn inzet, geheugen, humor en schrijfkwaliteiten beschreef Sietze op lezenswaardige wijze de avonturen van een groep studenten in beleggingsland. En passant schetste hij een beeld van 50 jaar politieke, economische en sociaal-maatschappelijke ontwikkelingen in het na-oorlogse Nederland. Anders gezegd: Sietze schreef geschiedenis.
Het papieren boek is in een kleine oplage gedrukt en verspreid. Het is niet meer leverbaar. Wel is de digitale versie beschikbaar (zie hieronder)

Het huis waar oma leefde

Mei 2020 – Na het overlijden van mijn broer was ik wees in alle betekenissen van het woord: ik had geen ouders meer en mijn broer en zussen waren overleden. Ik weet niet of het daardoor kwam, maar ik kreeg er behoefte aan meer te achterhalen over mijn voorouders en hun levens. Tijdens die zoektocht ontdekte ik iets over Johanna Philomena Koppert, de moeder van mijn moeder, mijn oma dus. Ze stierf in 1941 en aangezien ik ter wereld kwam in 1951, heb haar nooit iets kunnen vragen.

Door stamboomonderzoek en dankzij gepensioneerd hovenier Piet van der Eijk, sinds mei 1979 eigenaar van het pand, kwam ik er achter dat mijn oma van haar zevende tot haar zeventiende jaar in het nu wit geschilderde huisje aan de Tramkade 14 in Schipluiden woonde. Piet van der Eijk beschreef de geschiedenis van het huis, die begon rond 1870. Zijn volledige verhaal is hier te vinden.

Uit zijn beschrijving:
“De 19e eeuwse burgemeester van Schipluiden D.J. Ammerlaan, Dirk voor wie hem kenden, was een belangrijke man. Hij woonde op de ‘boerderij-buitenplaats’ Kerkpolderkade 71 (nu Tramkade 24) in de Kerkpolder en heeft de voormalige boerderij Tramkade 14 laten bouwen. Behalve burgemeester was hij boer, eigenaar van een bank, hoogheemraad van Delfland, en kerkmeester van de Jacobuskerk. Hij kon goed bij de bel; dat is een lokale uitdrukking voor iemand die goed bij kas is. Hij had veel land in de Kerkpolder en de Hodenpijlse polder. In Delft aan de Vlouw 48 was hij sinds 1848 eigenaar van een heel groot pakhuis voor zijn boterhandel. De naam Ammerlaan staat heden ten dage nog steeds op dit voormalige bedrijfspand.
Op 29 december 1870 kreeg hij tijdelijk vrijstelling van grondbelasting voor het bouwen van een bouwmanswoning ofwel boerderij op de percelen C 351-357 aan de Tramkade tussen Den Hoorn en Schipluiden. Dat werd dus het pand Tramkade 14. Een bouwtekening is helaas niet bewaard gebleven.
In deze omgeving verrees dus de nieuwe boerderij van Dirk Ammerlaan, die hij verhuurde aan Dirk Koppert (de vader van mijn oma – JdG). Pachter Koppert betaalde in 1872 (met kerstmis) 2.377 gulden pacht voor woning, schuur en bijna 26 ha land. Ammerlaan had het land in de Kerkpolder rond 1843 gekocht van Ary Koppert, de vader van Dirk. Dirk woonde er met zijn gezin tot 1882 en vertrok vervolgens naar Schiedam. In 1879 betaalde hij voor het laatst pacht aan Ammerlaan, 1.890 gulden.”
Met Ammerlaan liep het slecht af: van 1850 tot circa 1875 zagen boeren in de regio hun inkomsten jaarlijks toenemen en lonkte een toekomst van gouden bergen. Veel boeren leenden grote bedragen voor investeringen in land en nieuwe boerderijen. Toen vanaf 1875 de landbouwprijzen kelderden, spatte de zeepbel uiteen ten koste van veel slachtoffers. Ammerlaan was er daar hoogstwaarschijnlijk één van. Op 1 mei 1880 maakte hij een eind aan zijn leven. Na zijn overlijden bleken er grote schulden te zijn.”
Dirk Koppert verhuisde met zijn gezin naar Schiedam. Mijn oma huwde Schiedammer Herman Hodes en kreeg met hem zeven kinderen (onder wie een doodgeboren kind). Kort na de geboorte van mijn moeder als laatste kind verhuisde het gezin naar Den Haag.

Dorp in oorlogstijd

Mei 2020 – Zoals zo veel dorpen en steden in Nederland had ook de dubbelgemeente Woubrugge/Hoogmade te kampen met de ellende van de bezettingsjaren 1940-1945. In 1998 werd ik benaderd door de Historische Vereniging ‘Otto Cornelis van Hemessen’ met de vraag de vele tientallen op papier gezette herinneringen van de bewoners te bundelen in een boek. Het was schrikken toen de verzameling bij me werd afgeleverd: het bleek een stapel van zo’n anderhalve meter hoog te zijn. Sommige verhalen waren keurig getypt in een begrijpelijk volgorde, andere vellen stonden vol handgeschreven herinneringen. Complicatie was de overlap tussen verhalen, de dubbelingen en de soms verschillende interpretaties van op dat moment meer dan 50 jaar oude herinneringen. Maar hoe meer orde er in de chaos kwam, hoe meer het dorp in bezettingstijd voor me ging leven, hoe aangenamer de schrijfklus werd. Ik leerde ze kennen, verzetsman Jan Hopman, burgemeester Dick Rijnders, oud-KVP-politicus Norbert Schmelzer, die onderdak vond in het plattelandsdorp, verzetsheld Karel van Seventer, twee maanden voor de bevrijding laf vermoord door een Duitse officier en al die andere bestuurders en dorpelingen voor wie het leven vijf jaar lang soms verbazingwekkend normaal leek en op andere momenten gruwelijk, zoals ten tijde van de dood van de jonge moeder Lena Wittebol-Gerritsen (29) die tijdens het ophangen van de was in haar tuin werd getroffen door scherven van een door de Duitse luchtmacht afgeworpen bom.
‘De Duitsers hebben het mooie boerenland beschadigd en gehavend,’ stelde burgemeester Rijnders kort na de oorlog vast, ‘maar ze hebben de geest van de gemeenschap niet gebroken.’

Klik op de titel hieronder voor een pdf-versie van de integrale tekst.

Uitgesproken rechters

Mei 2020 – Wie zijn de Nederlandse rechters? Wat is hun achtergrond? Hoe gaan ze om met politieke en maatschappelijke ‘bemoeienis’ met hun werk? Hebben ze nooit last van twijfel? Hoe komen ze thuis na een werkdag tijdens welke ze iemand tien jaar cel hebben gegeven? Weten ze wel wat tien jaar cel betekent? Nieuwsgierig naar antwoorden op die vragen interviewde ik, samen met collega-journalist Jiska Vijselaar, tien Nederlandse (oud-)rechters. Op basis van lange gesprekken schreven we tien portretten die de lezer een verrassende kijk bieden in de gedachtewereld van mensen uit een midden in het maatschappelijke debat staande beroepsgroep. Aan het woord komen Govaert Kok (oud-president Hof Den Haag), Ian Pieter de Bie (vice-president Rechtbank Zutphen), Frans Bauduin (vice-president Rechtbank Amsterdam, sector Strafrecht), Bert van Delden (voorzitter Raad voor de Rechtspraak), Huub Willems (voorzitter Ondernemingskamer), Anne van der Putt-Lauwers (Hoge Raad), Conny van den Boogaard (Vreemdelingenrechter), Sonja de Pauw Gerlings-Döhrn (kinderrechter), Frank Visser (Rijdende rechter) en Willy Thomassen (rechter bij het Europese Hof voor de rechten van de mens).
(voor alle genoemde functies geldt dat ze werden bekleed ten tijde van het verschijnen van het boek).
‘Uitgesproken, rechters in Nederland’, verscheen in 2004 bij SDU Uitgevers. Truus van Gog maakte de foto’s. Het boek is niet meer via de geëigende kanalen te verwerven, wel hebben de auteurs nog een enkel exemplaar beschikbaar.

Klik op de namen hieronder voor een pdf-versie van de artikelen.

Willy Thomassen, rechter bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg.

Huub Willems, voorzitter van de Ondernemingskamer.

Frank Visser, de ‘Rijdende Rechter’ van de televisie.

Bert van Delden, voorzitter van de Raad voor de Rechtspraak.

Anne van der Putt-Lauwers, lid van de Hoge Raad en voorzitter van de Belastingkamer

Govaert Kok, oud-president van het Gerechtshof Den Haag.

Sonja de Pauw Gerlings-Döhrn, kinderrechter.

Postume eer voor vergeten kunstenaar

Mei 2020 – Mijn vader zaliger – hier op archiefbeeld – was graficus. Een groot deel van zijn leven bracht hij door als ontwerper, drukwerkbegeleider en bedrijfsleider in dienst van commerciële drukkerijen. Mijn vader was geen prater. Toen zijn overlijden naderde en ik daarover met hem in gesprek wilde gaan, was zijn reactie: ‘Daar hoef jij je toch geen zorgen om te maken?’ Zo’n opmerking was tekenend voor hem.

Ooit gaf hij me aantal etsen van bekende vooroorlogse kunstenaars. Pas na veel doorvragen vertelde hij me dat hij in zijn jonge jaren etsdrukker was geweest en dat kunstenaars als Hendrikus Elias Roodenburg (1895-1987), Adriaan van ’t Hoff (1893-1939) en Martin van Waning (1889-1972) speciaal op hem een beroep deden omdat hij de techniek van het kleurenetsdrukken beheerste als weinig anderen.

Een van de etsen uit de serie die mij me schonk, was een klein stilleven. het viel me op dat het was gesigneerd met Th. A. de Gruiter 1922. ‘Een probeerseltje uit mijn jeugd’, verklaarde hij schouderophalend. Ik vroeg niet door en heb het dus nooit rechtstreeks uit zijn mond kunnen optekenen, maar ik ben ervan overtuigd dat mijn vader kunstenaar had willen worden, maar zichzelf niet goed genoeg vond en daarom koos voor een betrekking in loondienst. Hij werd etsdrukker en graficus en later bedrijfsleider bij een grote drukkerij in Den Haag.
Lang na zijn dood in 1987 ontdekte ik iets opmerkelijks: het ‘probeerseltje uit zijn jeugd’ blijkt deel uit te maken van de prentencollectie van het Rijksmuseum in Amsterdam.

De prentencollectie van het Rijksmuseum behoort tot de grootste en beste ter wereld. De verzameling omvat ruim een half miljoen gravures, etsen, houtsneden, litho’s en bladen in andere grafische technieken, en bestrijkt een periode van circa 1440 tot nu. Van de middeleeuwse Meester van het Amsterdamse Kabinet tot de 20ste-eeuwse kunstenaar Carel Visser. De collectie is beroemd dankzij de prenten van Rembrandt en andere Nederlandse meesters, maar evenzeer vanwege de werken van grote Europese en Japanse prentmakers zoals Dürer, Raimondi, Tiepolo, Canaletto, Utamaro en Hokusai. Daarnaast bevat het prentenkabinet omvangrijke deelcollecties, waaronder historie-, portret-, mode- en ornamentprenten, topografie, sierpapier en volksprenten.

De kern van de collectie is in 1807 aangekocht door de toenmalige koning van Holland, Lodewijk Napoleon. De verzameling is sindsdien uitgebreid met tal van belangrijke aankopen en schenkingen. Dankzij het fonds dat in 1934 is nagelaten door de prenthistoricus F.G. Waller, wordt de verzameling jaarlijks verrijkt met honderden nieuwe aanwinsten. Volgens conservator prenten en tekeningen 20ste eeuw van het Rijksprentenkabinet (RPK) Alied Ottevanger is de ets van mijn vader in 1937 als onderdeel van het legaat van F.G. Waller in de collectie van het RPK opgenomen. Hij heeft het nooit geweten, maar ik denk dat pa apetrots zou zijn geweest. Daarom dit postume eerbetoon.

De tragische dood van opa Herman

Mei 2020 – Zoals meer mensen heb ik twee opa’s en twee oma’s gehad, maar ik heb ze geen van vieren gekend. Ze waren overleden voor mijn geboorte en ik heb ze ook niet leren kennen uit verhalen: er werd in ons gezin zelden over het verleden gesproken (de bezettingsjaren hadden grote invloed gehad) en dom genoeg heb ik er te weinig naar gevraagd.
De afgelopen jaren – dus veel te laat – ben ik op zoek gegaan naar kleine draadjes die me iets over hun bestaan kunnen vertellen.
Van drie van de vier opa’s en oma’s heb ik foto’s, van opa Herman Hodes, de vader van mijn moeder, geen enkele. Geen foto, alleen een vergeeld krantenknipsel (drie hoeraatjes voor het internet en digitale archieven) over het ongeluk dat hem het leven kostte.

Mijn opa heette Hermanus Johannes; waarom de krant hem H. H. noemt is mij een raadsel. Hij stierf op 60-jarige leeftijd nadat hij op 4 januari 1925 uit een tram op het Haagse Schalk Burgerplein was gevallen. Aanvankelijk leden zijn verwondingen mee te vallen, want hij slaagde erin lopend zijn woning in de Kritzingerstraat (een paar honderd meter verder) te bereiken. Volgens de Haagsche Courant van 8 januari 1925 verergerde zijn toestand en was opname in het Zuidwalziekenhuis gewenst. In de middag van 6 januari overleed hij daar, volgens de krant aan de gevolgen van een hersenschudding. Hij liet een vrouw en zes kinderen achter, onder wie mijn moeder, op dat moment 19 jaar oud.

Met Hans Vermeulen
in de Boterwaag

Mei 2020 – In het vroege voorjaar van 2009 ontmoette ik singer/songwriter Hans Vermeulen in de Haagse Boterwaag. Ik interviewde hem voor een artikel in het Haagse weekblad Den Haag Centraal. Hans sprak over zijn tijd met de Sandy Coast, zijn successen als solo-artiest en -componist, zijn problemen met de belastingdienst en over Thailand, zijn nieuwe vaderland. Kort na het gesprek – en de publicatie van het interview – trad hij op in Diligentia. Ter gelegenheid daarvan werd Decades uitgebracht, een verzamel-CD met de beste nummer uit Hans’ muzikale loopbaan. Het inlegvel bevatte een deel uit de weergave van het interview – volgens Hans ‘het beste verhaal dat ooit over mij geschreven is’. Hans Vermeulen overleed in november 2017, 70 jaar oud, in Thailand, het land waar hij zich, naar eigen zeggen, vanaf zijn eerste bezoek thuis voelde.

Klik voor een pdf-versie van het artikel op

De sfeerimpressie die Cees Troost van Voorburgbands maakte tijdens het vraaggesprek.

Vincents
laatste
kamer

Juni 2020 – Over het leven van kunstschilder Vincent van Gogh is veel bekend. Hij werd geboren in Zundert (Brabant) op 10 maart 1853 en hij overleed 37 jaar later, op 29 juli 1890 in het Franse Auvers-sur-Oise (iets boven Parijs). In Nuenen schilderde hij ‘De Aardappeleters’ in traditioneel sombere, donkere tinten. Via omzwervingen kwam hij terecht in Arles en werd daar geïnspireerd door de kleuren, de zon en de warmte. In februari 1888 arriveerde hij in de Zuid-Franse plaats en huurde het zogenoemde ‘Gele Huis’ (bekend van een van zijn schilderijen). Het is onvoorstelbaar dat hij vanaf zijn aankomst in Arles tot zijn dood, twee jaar later, veel van zijn bekendste werken maakte, waaronder zijn beroemde zonnebloemschilderijen en het ‘Caféterras bij nacht’.
De afgelopen jaren bezochten wij een aantal van de plekken waar Van Gogh leefde en werkte. Het imposantste was misschien het bezoek aan de zolderkamer van Auberge Ravoux in Auvers-sur-Oise, waar hij de laatste weken van zijn leven overnachtte en waar hij stierf nadat hij zichzelf had verwond met een pistoolschot. In de gelagkamer van Ravoux, waar ooit zijn kist stond opgesteld voor hij naar de lokale begraafplaats werd gebracht, dineerden wij met gepaste eerbied.

AbvaKabo in verzet

Mei 2020 – In mijn boekenkast staat een dik, rijk geïllustreerd boek over een actieperiode van de FNV-ambtenarenvakbond AbvaKabo in de hete herfst van 1983. Bestuur en leden van de vakbond kwamen twee maanden, zoals dat in vakbondskringen heet, ‘in verzet‘ tegen de voor het jaar 1984 aangekondigde bezuinigingen op het salaris van ambtenaren en trendvolgers (werknemers in de zorg, politie, onderwijs, gevangeniswezen, gemeentelijke diensten en andere (semi-)overheidsdiensten. Het boek was opgedragen aan de stakers, stiptheidswerkers en demonstranten en liet velen van hen aan het woord. Stakingsleider Jaap van de Scheur schrijft in zijn voorwoord: ‘Uit een gevoel van diepe wrok jegens het onrecht gingen wij de strijd in. het kabinet stuurde door zijn machtsstreven aan op een harde confrontatie, en die heeft gekregen. Wij kwamen in verzet tegen onrecht en voor een gelijke behandeling.’ Ik werkte aan het stuk geschiedschrijving mee in de vorm van artikelen over de rol van premier Ruud Lubbers in het conflict, over de belevenissen van stakingsleider Jan van Schijndel van het Rotterdamse openbaarvervoerbedrijf RET, over de staking in de Rotterdamse haven en over andere gebeurtenissen. Teksten en foto’s in het boek tonen een wilde periode met felle acties en veel solidariteit tussen de actievoerders onderling. Een zo allesomvattende actie als deze heeft zich na 1983 niet meer voorgedaan.