September 2022 – Dit is Dimitris, uitbater van een kafeneío op het dorpsplein van Ireon, op Samos. We leerden hem kennen tijdens ons eerste bezoek aan het Griekse eiland in 2010. Van zeven uur ’s ochtends tot na middernacht zagen we hem met een dienblad vol bestellingen en een grijns op zijn gezicht rennen over het terras van zijn kroeg. ‘s Ochtends ontbijtjes en koffie, ’s avonds wat sterkers. Dimitris nam zijn gastheerschap serieus. Ieder dorp had een plek nodig waar de plaatselijke gemeenschap kon samenkomen om nieuwtjes uit te wisselen en de dagelijkse besognes te bespreken, vond hij. Zijn terras was daarvoor de uitgelezen plek (binnen was geen ruimte, op Samos regent het zelden). Soms, als het dorp serieuze zaken te bespreken had, plaatste Dimitris zijn terrasstoelen in theateropstelling en veranderde het plein in een vergaderzaal – waar de emoties soms hoog opliepen.

In de nasleep van de financiële crisis was Dimitris kwaad op de Griekse overheid, die de belastingen verhoogde waardoor hij nog harder moest werken om zijn zonen te laten studeren. Zelf had hij weinig behoeften.

Bij elk volgend bezoek aan Samos was onze eerste gang naar het dorpsplein van Ireon, waar Dimitris ons met die grijns en open armen verwelkomde. De welkomstdrank was bij wijze van spreken al klaargezet.

Na afwezigheid van een paar jaar bezochten we Samos onlangs weer. Als gebruikelijk was onze eerste gang naar het dorpsplein, en dat was schrikken: op de plek van Dimitris’ taverne was een ander bedrijf gevestigd. ‘Souvlaki 4 You’ vertelde een in frivole letters geschilderd bord boven de ingang. Het bleek een dertien-in-een-dozijn toeristenfuik, met alle voorspelbare Griekse gerechten op de kaart en weinig dorpsbewoners op het terras. We hadden nog even de hoop dat Dimitris een nieuwe weg was ingeslagen, maar die hoop werd snel de bodem ingeslagen. Onze vragen in het dorp over het welbevinden van Dimitris leidden tot ongemakkelijke stiltes. De dorpsbewoners wilden niet roddelen en speculeren, legden ze ons uit, maar langzaamaan werd het verhaal van een menselijke tragedie ontvouwd. Dimitris was door ernstige huwelijksproblemen aan de drank geraakt. Ze zagen hem af en toe lopen. Hij was al niet vet, maar nu was hij graatmager. Hij lag in het ziekenhuis, zei de derde. Meer wist ze niet, de rest was speculeren. Wat ze nog wel kwijt wilde was dat een bezoek brengen uitgesloten was: alleen naaste familie werd nog bij hem toegelaten. De vierde die absoluut niet wilde roddelen wilde alleen kwijt dat zijn vrouw het vele werken van Dimitris niet meer had geaccepteerd. Ze had hem niet het huis uitgeschopt, maar hem getolereerd in een kamertje van twee bij twee. Kort voor ons vertrek kregen we te horen dat Dimitris op 61-jarige leeftijd in het ziekenhuis was overleden en in stilte zou worden begraven.

Hij zal het niet meer lezen, net zomin als anderen die hem hebben gekend. Toch wil ik op deze plaats een geschreven monumentje voor hem achterlaten. Een monumentje voor een mens die beter had verdiend dan dit tragische einde. Als er een hemel bestaat zal hij er grijnzend voor de catering zorgen. Ook daarboven is een plek nodig waar de bewoners nieuwtjes kunnen uitwisselen, en Dimitris is er de uitgelezen man voor. Rusten in vrede zie ik hem niet doen.

De kapper in de Harderwijkstraat

Augustus 2022 – Om de zoveel weken nam moeder mij mee naar de kapper in de Harderwijkstraat, een voettocht van een paar minuten op de tonen van de Marche Funèbre. Mengele heette hij, de kapper. Josef Mengele. Hij had zijn nering ondergebracht in de voorkamer van zijn bescheiden portiekwoning in een bocht van de straat. Een toevallige passant zou er geen folterkamer vermoeden, ook de autoriteiten hadden keine blasse Ahnung.
Een achter struiken verscholen en door roest aangevreten bord aan de gevel vertelde dat Mengele ‘herenkapper’ was. Onnodig te zeggen dat ik er nooit een heer op zijn beurt heb zien wachten. Wel jochies van mijn leeftijd die, wetend wat hun te wachten stond, de punten van hun schoenen kaal trapten tegen de poten van hun stoel.
Nooit scheen de volle zon er door de ramen. Dichte bosschages en glas-in-lood filterden het daglicht en zetten het lokaal in een roodpurperen schijnsel. In die schemer opereerde Mengele, een gedrongen man, gebocheld door het buigen over zijn erlenmeyers, druppeltrechters, reageerbuizen, maatkolven en petrischalen. De inhoud van de potten brillantine, die als dekmantel op de vensterbank waren geplaatst, smeerde hij met ruime hand in zijn diepzwarte kapsel, een bundel geteerde kabels, dik genoeg om een tanker aan de kade te leggen.
Elke knipbeurt staarde ik, jochie van wat zal ik geweest zijn, vier of vijf jaar, laat het zes zijn, meer zeker niet, in verbijstering naar het scharrig stuk karton dat, leunend tegen een fles fletsblauwe vloeistof, beweerde dat de inhoud ervan hielp tegen roos en haaruitval. Jong als ik was kon ik me niets bij haaruitval voorstellen, laat staan dat mijn peuterbrein iets begreep van de kennelijk bestaande relatie tussen mijn kapper en een roos.
Mengele haatte kinderen, zoals hij volwassenen haatte – en waarschijnlijk alles haatte, inclusief zijn eigen kappersleven. Zijn knuist was als een bankschroef, die hij met precisie op mijn tere kinderkopje plaatste, zodat hij het kon bewegen als een haperende joystick. Soms sprak hij me toe. ‘Stilzitten!’ bijvoorbeeld, als ik wegdook voor het kille staal (made in Solingen) van de messen die langs elkaar gleden in de richting van mijn oor.
Vanaf de spiegel keken twee ogen van een psychopaat in dwangbuis me angstig aan. ‘Hou vol!’ zeiden ze. ‘Liever een heldendood sterven dan een kameraad verraden.’
Na tien minuten foltering scheurde Mengele het laken van mijn lijf. De coupe die hij had gesneden stond garant voor een week beschimpingen, maar ik had het overleefd zonder informatie prijs te geven over wapenleveranties of onderduikadressen. Opgelucht plaatste ik mijn handen op de leuning en spande alles wat ooit spier moest worden; voor moeder het signaal om zich van haar stoel te verheffen en het resultaat te onderwerpen aan een 360 graden beoordeling.
‘Korter’, luidde steevast het verdict. ‘Ik heb geen zin om over twee weken terug te moeten komen; het geld groeit me niet op mijn rug.’
Grommend legde Mengele het laken een tweede maal aan, deze keer tot aan de grenzen van verwurging. Uit de bankschroef bleken nagels te groeien, de punten van het koude staal prikten gaten in mijn slaap. 
Gelukkig durfde moeder niet opnieuw te reclameren. Zorgvuldig telde ze de munten uit en trok me mee. In het portiek hoorde ik Mengele nog ‘volgende’ snauwen. Een kind huilde, kille maartwind veegde langs mijn gladgeschoren nek, er trok een rilling door mijn kinderlijf.
Ik werd een oude heer met hang naar het verleden. Blok 10 bleek nog te bestaan, maar er hing geen bord meer aan de gevel en de voortuin was betegeld. Opgewonden kinderstemmen vertelden dat het pand was ingenomen door een gezin dat geen kennis had van het schuldige verleden. Ze zullen gekraaid hebben van enthousiasme toen de makelaar hen wees op het authentieke glas-in-lood, dat de huiskamer in een roodpurperen gloed zette. De wind stak op. Ik greep naar mijn kraag en versnelde mijn pas.

Het verwende nakomertje

April 2022 – Ik groeide als nakomertje op in een compleet gezin, in mijn geval een gezin met een papa, een mama en drie kinderen in de puberleeftijd. Een gezin dat de Tweede Wereldoorlog bewust had meegemaakt, met alle angsten en zorgen van dien, zoals razzia’s, neerstortende V2’s, honger en bittere kou. Ik ben van na de oorlog. Mijn jongste zus was 13 jaar toen ik werd geboren. De zus boven haar was 15, mijn broer 17. Hij was van 1934, een jaar nadat in Duitsland Adolf Hitler was aangetreden als Rijkskanselier, om maar iets te noemen. De oorlog was voor mij iets uit een ver verleden. Ik had geen angsten doorstaan en ontberingen geleden. Ik kwam tot de jaren van besef in de vrolijke sixties. Beatles en de Stones vochten om mijn gunst, haar diende tot op de schouders te groeien, flower power deed zijn intrede, alles kon, alles mocht, nooit meer oorlog, love, peace and understanding. Het leven zou beter worden, in een rechte lijn omhoog. Nakomertjes die ter wereld komen in een compleet gezin hebben een bijzondere start in het leven en leven vaak bijzondere levens. Ze groeien op met broers en zussen, maar in de praktijk zijn ze vaak enig kind, zeker als het leeftijdsverschil met de kinderen boven hen groot is. De oudere broers of zussen leven in een andere wereld, studeren of werken al, en wonen soms op zichzelf. Ze hebben een gezamenlijke geschiedenis waarvan het nakomertje geen weet heeft. In 2021 interviewde ik een aantal mede-nakomers voor een boekje dat in april 2022 verscheen bij Saam Uitgeverij in Hillegom.


Uit het boek:

‘De dood was steeds dichtbij’

‘Nakomers lopen een grote kans dat ze veel familieleden naar het graf moeten brengen, al weet je dat nooit zeker. Mijn vader stierf een jaar na mijn geboorte, zevenenveertig jaar oud. Mijn zus Barbara heeft vaak op het randje van de dood gelegen en is uiteindelijk gestorven toen ze tweeënveertig was. Mijn moeder is zesenzeventig geworden, maar ze heeft onze kinderen nooit gekend. Het was voor mij als nakomer geen schrikbeeld dat ik mijn ouders en zussen vroeg zou verliezen, maar het was wel de aanstichter van veel verdriet. De dood was steeds dichtbij, ik voelde me soms eenzaam, maar het had ook een voordeel: als je geleidelijk aan opgroeit met ellende, kun je meer hebben dan wanneer het allemaal in één klap komt.’
(Oud-PvdA-politicus Hans Spekman)

‘Goed in pleasen en presteren’

‘Veel nakomers worstelen tot op hogere leeftijd met het gevoel nergens bij te horen, ik herken dat zelf ook. Ze kunnen goed solistisch werken, voelen zich niet direct thuis in een team, maken zich klein en willen graag voldoen aan de wensen van anderen. Daarin schuilt het gevaar dat ze zichzelf verwaarlozen, niet voor zichzelf opkomen. Zolang het gaat om functionele contacten zijn de problemen nog te overzien, het begint pas in informele settings. Veel nakomers moeten zich forceren om tijdens een receptie of iets dergelijks op een ander af te stappen en aan social talk te doen. Aan de andere kant hebben nakomers ook vaak de instelling van ik laat me niet kisten, ik zal je eens wat laten zien. De vraag of ze er ‘mogen zijn’ leidt ertoe dat nakomers op verschillende manieren proberen ‘erbij te horen’. Voor een deel komt dat voort uit signalen die ze opvangen uit hun omgeving: ze concluderen dat ze het beter moeten doen dan hun oudere broers en zussen, alsof de nakomer een geheim contract heeft gesloten met vader of moeder waarin staat dat ze aan hoge verwachtingen moeten voldoen. De nakomer moet presteren en maatschappelijk carrière maken. Hij of zij gaat zich gedragen zoals hij of zij meent dat anderen willen dat hij/zij zich gedraagt. Nakomers zijn daardoor goed in pleasen en presteren.’
(Zelfstandig coach en trainer Margje Duursma)

‘Mijn vader stond niet langs de lijn’

‘Begrijp me goed, ik ben totally happy, maar als je kinderen op sport gaan, sta je langs de lijn, ben je trainer of begeleider van hun team, en koop je bijvoorbeeld samen met je dochter haar hockeyspullen. Ik geniet daar met volle teugen van, maar wat een beetje schrijnt is dat ik dat zelf nooit heb mogen meemaken. Mijn vader stond niet langs de lijn. Mijn broer wel, maar dat is anders. Het zal ergens diep in een man zitten dat je van je vader wil horen dat je het goed hebt gedaan.’
(Scenarioschrijver en regisseur Frank Ketelaar)

‘Eigenlijk ben je enig kind’

‘Ik denk dat veel nakomers dat gevoel kennen: je komt ter wereld in een gezin met een broer en zussen, maar eigenlijk ben je enig kind.’
(Journaliste Roeliene Bos)

‘Constante angst dat ik mijn ouders jong zou verliezen’

‘Ik was al jong bezig met de leeftijd van mijn ouders. Zo rond mijn tiende tot twaalfde jaar rekende ik vaak uit hoe oud ik was als ze zouden overlijden. Dan dacht ik bijvoorbeeld: als ik dertig ben, zijn zij al zeventig. De meeste mensen worden tachtig, dus ik ben veertig als ze er niet meer zijn. Het was een constante angst dat ik ze jong zou verliezen. Ik was me erg bewust van het leeftijdsverschil en ik vroeg me af hoeveel mijn vriendinnetjes scheelden met hun ouders. Het viel me ook op dat ze er jonger uitzagen dan mijn ouders.’
(Nogmaals journaliste Roeliene Bos)

‘Dankzij het schrijven heer en meester in het verhaal’

‘Het buitenstaander zijn is voor veel schrijvers ten diepste de reden waarom ze zijn gaan schrijven en ik besefte dat het voor mij niet anders was. Schrijven biedt de mogelijkheid om situaties waarin je aan de kant hebt gestaan en niet gezien bent, te herschrijven waardoor je heer en meester wordt in het verhaal.’
(Schrijfster en literair recensente Ingrid Hoogervorst)

‘Ik ben in mijn eentje groot geworden’

‘Achteraf denk ik: ik was eenzaam. Ik ben in mijn eentje groot geworden.  Ik heb ook niet van mijn moeder geleerd hoe ik moet koken of een huishouden moet runnen, dat kan ik nog steeds niet. Ik ben weleens jaloers geweest op anderen, die zulke eenzaamheid niet hebben gekend. Ik heb door mijn gebrek aan opvoeding ook niet geleerd hoe ik me aan mensen moet binden. Dat ik me moeilijk kan hechten aan iemand, ervaar ik als een gemis.’
(Dierenactiviste Lenie ’t Hart)

‘Gezinsvakanties stopten toen andere kinderen groter werden’

‘Ik denk bijvoorbeeld met veel plezier terug aan onze gezinsvakanties op Texel. Jammer genoeg stopten die toen ik een jaar of twaalf was, daarna gingen we niet meer als gezin op vakantie omdat de oudere kinderen met hun eigen gezin of partners op vakantie gingen. Als ik nu nog vertel hoe jammer ik dat vond, is hun reactie: jij had niks te klagen, je mocht in die tijd met vriendinnetjes mee op vakantie. Maar daar gaat het niet om: ik bedoelde alleen maar te zeggen dat ik het jammer vond dat de gezamenlijke gezinsvakanties voorbij waren. Toen die stopten gingen mijn ouders niet met mij alleen op vakantie, als kind krijg je dan het idee dat je er minder toe doet.’
(Begeleidster in de geestelijk gehandicaptenzorg Astrid van Keulen – Berends)

‘Mocht mijn moeder niet teleurstellen’

‘De mythe bij ons thuis was dat ik nooit huilde en altijd vrolijk was. Ik had ook het gevoel dat ik zo moest zijn. Ik was het kind van wie mijn ouders wilden genieten. Onbewust voelde dat als een opdracht, anders zou ik mijn moeder teleurstellen.
(Journaliste Daniël de Jongh)

‘Ik werd Muis genoemd…’

Ik heb een fantastische jeugd gehad, maar er zijn wel dingen waar je als nakomertje tegenaan loopt. Je zit altijd in een andere levensfase dan de rest. Ik was de jongste – ik werd Muis genoemd. Lief, maar het typeert wel dat je levenslang als klein wordt gezien. Ik heb er een overgevoeligheid aan overgehouden: als ik de indruk krijg dat ik niet serieus genomen wordt, heb ik de neiging een stap terug te doen en mijn mond te houden. Een muisje. Het heeft ermee te maken dat ik als kind altijd op mijn zussen achterliep. Wat zij bespraken leek groter en interessanter dan wat ik te vertellen had.
(Nogmaals Daniël de Jongh)

‘De hele omgeving van een nakomer is ouder’

‘Als ik heel diep nadenk over mogelijk negatieve dingen van het nakomer zijn, dan is het hooguit dat ik veel van mijn neven en nichten nauwelijks ken omdat het leeftijdsverschil te groot is. Mijn vader had negen zussen en geen enkele broer. Ik was het vijftigste van 53 kleinkinderen en elk jaar komen we bij elkaar. Ik ben dan een van de jongsten: de meesten zijn boven de 70 en er zijn er ook van 80. Een aantal van hen ken ik dus niet. Ik heb van vaders kant ook maar alleen een opa gekend. De hele omgeving van een nakomer is ouder, dat is wel een minder leuk facet.’
(Gepensioneerd medewerkster woningcorporatie Ellen Voorhans – Bom)

‘Een kind moet broers en zussen hebben, niet vijf ouders’

‘Het is voor een kind al moeilijk genoeg om met één volwassene te dealen, laat staan als er twee volwassenen en drie oudere kinderen zich met de opvoeding bezighouden. Het kind loopt dan het gevaar dat het voortdurend wordt gecontroleerd en gecorrigeerd en dat is niet goed. Elk kind moet een leuke, vrije jeugd kunnen hebben, met hooguit één corrigerende ouder als dat noodzakelijk is. Ik had sterk het idee dat een kind er anders last van krijgt, zeker een nakomertje. Dat moet broers en zussen hebben, niet vijf ouders.’
(Customer Service Representative bij logistieke dienstverlener Karin Termaaten)

‘Nakomer zijn niet de Champions League qua ingewikkeldheid’

‘Mensen denken te snel dat ze in dé ergste pechcategorie zijn terechtgekomen die je maar kunt bedenken. Ze vergeten dat ze het misschien op onderdelen slecht hebben getroffen, maar accepteren niet dat er nu eenmaal erge en minder erge dingen gebeuren. Ik denk dat veel kinderen liever een nakomer zouden zijn dan dat ze op zevenjarige leeftijd een vechtscheiding van hun ouders moeten meemaken. Er zijn best negatieve effecten verbonden aan het nakomer zijn – al doet de wetenschap anders vermoeden – maar het is niet de Champions League wat ingewikkeldheid betreft.’
(Ontwikkelingspsycholoog Steven Pont)

‘Oudere ouders hebben heeft voordelen’

‘Kind zijn van oudere ouders heeft veel voordelen. De ouders zijn financieel beter af en daarvan ondervindt ook het kind de voordelen, los van de vraag of het gepland is. Verder zijn oudere ouders meer ontspannen opvoeders. Bij het eerste kind zijn ze onzeker, rigide. Dat kind vangt alle klappen op, het tweede kind absorbeert die ervaringen in zijn gedrag en heeft daardoor minder conflicten met de ouders. Aan de andere kant hebben de ouders in de omgang met het oudste kind leren dealen. Het opvoeden is niet meer zwart-wit, er is begrip voor de noden van het kind en niet alles wat afwijkt van het ideaalbeeld leidt tot een ramp.’
(Judith Dubas, hoogleraar (ontwikkelings)psychologie aan de Universiteit Utrecht)

‘Nooit verbonden gevoeld met ouders zussen’

‘Ik heb me nooit echt verbonden gevoeld met mijn zussen. Zij zijn samen opgegroeid en ik ben er achteraan komen huppelen. Ik ben geen onderdeel geweest van de band die ze samen hadden.’
(Bron- en contactonderzoeker bij de GGD Christina Verburg)

‘Werd niet bij stilgestaan dat ik een beetje hulp zou kunnen gebruiken’

‘Ik werd als het ware geparachuteerd in een bestaand gezin en er was op geen enkel moment bij stilgestaan dat ik wel een beetje hulp zou kunnen gebruiken om mijn weg te vinden in die groep volwassenen en pubers om mij heen.’
(Procesoperator Marc de Jongh)

Het boek Het verwende nakomertje is te bestellen op
https://www.saamuitgeverij.nl/catalogus/zorgwelzijn/psychologie-en-psychiatrie-zorgwelzijn/het-verwende-nakomertje/
Nadere informatie:
Anneke Bakker Uitgever, SAAM Uitgeverij
06-24157478 | 2e Loosterweg 102,
2182 CL Hillegom
info@saamuitgeverij.nl | www.saamuitgeverij.nl


1 mei 2021 – Vandaag in het AD een groot interview met Cor (‘Cesar’) Zuiderwijk, meer dan vijftig jaar drummer van de Haagse band Golden Earring. De groep stopte abrupt met muziek maken nadat de ziekte ALS was vastgesteld bij oprichter/gitarist George Kooymans.
Ik ben geboren en opgegroeid in dezelfde straat als George, de Haagse Hulshorststraat in de wijk Rustenburg-Oostbroek, niet ver van het Zuiderpark. De straat is een paar honderd meter lang en loopt van de Dierenselaan tot de Staverdenstraat. Drie zijstraten verdelen haar in vier gelijke ‘blokken’. George woonde in deel 3, ik in deel 4 en onze blokken werden gescheiden door de Terletstraat, een drukke straat met veel doorgaand verkeer, waaronder buslijn 25 die de nieuwe wijken verbond met het centrum van de stad en station Hollands Spoor. Hoewel ik een schoolvriend had in George’s deel, vormde de Terletstraat een natuurlijke barrière, die verhinderde dat George en ik elkaar vaak troffen. Het waren in praktische zin verschillende werelden waarin wij leefden.
Twee keer kwam ik George tegen: één keer bewust en een tweede keer bij toeval. De eerste keer was medio jaren ’60. Voor de schoolkrant zou ik Bojoura interviewen, een Haagse zangeres van wie bekend was dat de leden van Golden Earring haar hadden ‘ontdekt’.
Op een dag zag ik George en Rinus (Gerritsen, bassist van de Earring) door de straat lopen. Ik trok de stoute schoenen aan en vroeg of ze het adres en eventueel een telefoonnummer van de zangeres hadden, zodat ik haar voor de schoolkrant kon interviewen. ‘Wat leuk joh!’ reageerde George, en hij gaf me zonder aarzelen het adres en het telefoonnummer (andere tijden, andere gewoonten). Bojoura woonde in het Bezuidenhout bij haar ouders en ze stemde onmiddellijk in met een interview. Van het gesprek herinner ik me alleen nog dat ze net zo verlegen als de interviewer was, aan de weergave van het vraaggesprek heb ik ‘geen actuele herinnering’.
De tweede keer dat ik George in de Hulshorststraat trof was op een warme zondagmiddag in de jaren ’80 toen ik met vrouw en kinderen op bezoek ging bij opa en oma. George slenterde in korte broek, kind aan de hand en in mijn ogen aanzienlijk grijzer dan op promotiefoto’s en tijdens optredens, door ‘mijn’ deel van de straat. Daar liep geen rock ’n roll held die in lederen pantalon zijn publiek opzweepte met Radar Love, When the lady smiles of de Twilight Zone, maar een vriendelijke vader die ongetwijfeld ook bij opa en oma in zijn geboortehuis op bezoek was en even een ommetje maakte door zijn oude buurt, misschien voor een ijsje op de Nunspeetlaan. Hij groette vriendelijk. Straatgenoten onder elkaar.

Jan Janssen was een zeikertje

Oktober 2020 – ‘Ik was een zeikertje als het om mijn materiaal ging. Het moest altijd perfect in orde zijn.’ Aldus oud-Tourwinnaar en wereldkampioen wielrennen Jan Janssen. Ik sprak hem in 1995 voor het boekje ‘Ons beroep op kunststof’, een uitgave ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van de Nederlandse Federatie voor Kunststoffen (NFK). Opdrachtgever was freelancejournalist Anton Stig, de man met wie ik in de jaren ’80, ’90 en 2000 regelmatig coproducties maakte. Tot mijn schrik overleed Anton in september 2020, slechts 65 jaar oud.
Jan Janssen was een aimabele gesprekspartner, een man aan wie je geen vragen hoefde te stellen om hem aan het praten te krijgen. Jan gaf toe dat hij als renner van de oude stempel hechtte aan traditionele materialen (‘Ik vind een gespaakt wiel nog altijd mooier dan een kunststofwiel’), maar hij gaf toe dat moderne materialen wel hun voordelen hadden (‘Een kunststof wiel gaat wel vijf kilometer per uur harder‘). Carbon frames waren beter dan metalen frames, gaf Janssen toe, en kunststof stuurlint hoefde niet na elke rit te worden vervangen. Het was met tegenzin, maar de oud-Tourwinnaar gaf toch wel ruiterlijk toe dat alle vernieuwingen verbeteringen waren. Zo was zijn oude wollen koersbroek ‘lekker ademend’, maar als ze gekrompen waren stond hij een kwartier te trekken om de pijpen over zijn dijen te trekken, terwijl ze in de wedstrijd weer alle kanten op slobberden.

September 2020 – Onlangs verscheen de Fiets Scheurkalender 2021, een uitgave van Kosmos Uitgevers (Utrecht en Antwerpen). Peter Tetteroo, Henk Tetteroo en Daan Rieken vormen de redactie van het werkje vol wielerwetenswaardigheden. Ik schreef er een paar bijdragen voor over mijn ontmoetingen met wielrenners, zoals Bernard Hinault. De vijfvoudig Tourwinnaar had een koosnaam: le blaireau, door velen in Nederland vertaald in ‘de das’ (een klein roofdier uit de familie der marterachtigen, legt Wikipedia uit). ‘Fout!’ schreef journalist Gijs Zandbergen ooit in De Volkskrant. ‘Verkeerd vertaald! Blaireau betekent (ook) scheerkwast.’ Een ploeggenoot had Hinault zo genoemd toen hij op een dag in het peloton verscheen met een zweetband in zijn haar en zijn hoofd overeenkomsten vertoonde met het scheergerei, corrigeerde Zandbergen. Zandbergens uitleg was onweerlegbaar, maar Hinault vond de vergelijking met een scheerkwats quatsch. Toen ik hem in 1985 bezocht vielen me een aantal opgezette dieren in zijn Bretonse woning op. ‘Dassen’, wees Hinault op de verstilde roofdieren. ‘Jagers, die zich heel lang stilhouden, hun prooi bespieden, toeslaan en verdwijnen. Volgens Hinault had oud-renner Georges Talbourdet hem met het dier vergeleken. ‘Het was de spijker op zijn kop: soms was ik een wedstrijd niet geïnteresseerd in de uitslag en stapte ik af, dan schreef de pers me af. Maar ze wisten niet dat ik mijn zinnen had gezet op een andere prooi, een andere wedstrijd, die ik vervolgens won. Iedereen was dan verbaasd.’
Is Hinault een rare (scheer)kwast die de werkelijkheid een beetje naar zijn hand zet? Het zal altijd een mysterie blijven. De kalender ligt in de boekhandel.

Fred

Augustus 2020 – Er zit een kikker in de tuin, laat ik hem Fred noemen. Opeens was hij er, op een kille ochtend in het vroege voorjaar. Zijn kont draaiend in het waterschaaltje voor Eddy de Egel en dorstige mezen. Twee groene poten achteloos op de rand van het bad, sigaartje in de mond, glaasje bij de hand. De sloot aan gene zijde van de schutting werd hem te vol. ‘Geen doen, met die corona’, vertelde hij ons. ‘Afstand houden? Ho maar.’ En de geheimzinnige verdwijning van neef Karel had hem bang gemaakt. Een oude baars had gezien hoe Karel zich roekeloos naar de oppervlakte had begeven en was opgeslokt door een foeragerende reiger. Het was het gesprek van de dag.

De herinrichting van het vogelbadje kostte hem een dagdeel: helder drinkwater vloeide over het gazon en werd vervangen door een kop stinkende groene drab die hij uit de sloot liet brengen. Of we wilden stoppen met onze dagelijkse verversing van het water, luidde zijn bevel. Hij badderde graag in zijn eigen vuil. Hij noemde het zijn habitat. O ja: en geen foto’s. Hij hechtte aan zijn privacy. Sindsdien zit hij er, borrelend onder water of ontspannen op de rand; neus in de wind, knieën over elkaar, puzzelboekje op zijn schoot.

Af en toe komen we hem tegen, banjerend onder het bladerdak van de woekerende wingerd. ‘Even de benen strekken’, legt hij uit. ‘Belangrijk om de spieren in conditie te houden.’ Ter illustratie zet hij aan voor wat een kikkersprong zou moeten zijn. ‘Dat gaat nog best, Fred’, complimenteren we hem, want zijn ego is kwetsbaar.

Dat komt: Fred is vrijgezel gebleven. In het voorjaar hield hij ons nachtenlang wakker met geile kikkerpraatjes waar de vrouwtjes niet warm van werden. Ze flaneerden in de buurt, maar zodra ze Freds tiny house ontdekten vluchtten ze giechelend naar de sloot. ‘Twee minuten soppen en je bent klaar’, riep Fred zijn vluchtende bruiden na, maar zijn promopraatjes bleven vruchteloos. ‘We kijken nog even verder’, hoorden wij de vrouwtjes kirren. Zo bleef Fred alleen, maar hij draagt zijn lot als een vent. ‘Zo’n vrouwtje is leuk, maar er moeten natuurlijk kinderen komen,’ legt hij ons uit, ‘en daarvoor is jullie bakkie te klein.’

‘Jullie bakkie.’ Het is opeens ‘ons bakkie’ en Fred is eisen gaan stellen. Wat we dachten te doen aan de kou in de naderende wintermaanden. Een dagelijks portie handwarm water was het minste, vloerverwarming en isolatie eigenlijk een vanzelfsprekendheid. Of we wisten wat duurzaam wonen was en of weleens van de universele rechten van de kikker hadden gehoord.
De verhoudingen zijn dus wat verstoord. Fred is niet meer de moppen tappende badgast van het voorjaar. We zien hem ook minder. Hij zal er zijn, ergens onder de rottende begroeiing, studerend op het jongste bouwbesluit en de Leegstandswet. Maar de fut is eruit, we voelen het allemaal. Vanochtend meldde Ed zich bij het klompenhok: wanneer onze kraker was opgedonderd: hij stierf van de dorst.

Studenten in
beleggersland

Mei 2020 – Van 2000 tot in 2007 werkte ik als journalist aan het clubblad van de georganiseerde notarissen in Nederland, de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie. Sietze Kornelis, notaris in Amsterdam, was lid van de redactieraad, het orgaan dat erop moest toezien dat het journaille geen misbruik maakte van de geboden vrijheid. Ik leerde Sietze kennen als een ruim- en meedenkend redactieraadslid en vooral als een bijzonder aardig, altijd opgeruimd mens.
In zijn Groningse studententijd stond Sietze aan de basis van een ‘beleggingsmaatschappij’ die de stichters vernoemden naar het studentenhuis dat zij bewoonden, aangevuld met het jaar van oprichting.
De ambitie van de ondernemende studenten was niet buitenproportioneel: ze waren content als het gezamenlijke beleggingsresultaat uiteindelijk voldoende zou zijn om de begrafeniskosten van ieder der de beleggers te dragen. Ondanks die gematigde ambitie spande het er geregeld om of het doel zou worden gehaald.
Na zijn pensionering nam Sietze het op zich de geschiedenis van de beleggingsclub op papier te zetten onder het motto ‘we waren niet de oudste of meest succesvolle beleggingsclub van Nederland, maar we schreven wel geschiedenis.’ Met enige regelmaat trof ik de notaris/belegger/auteur op een terras om over zijn schrijfvorderingen te praten. Steevast kreeg ik bij het afscheid een keurig geordende bundel papier mee met de vraag de tekst door te nemen en van positief kritische opmerkingen te voorzien.
In mei 2018 namen wij afscheid na weer een zonnig ‘werkoverleg’ en ik zag Sietze vertrekken, vrolijk zwaaiend, zonnebril op het hoofd, hard top van de bekraste Volvo in zomerstand. De afspraak voor de volgende ontmoeting lag vast.

Sietze Kornelis 1946-2019
(Foto Truus van Gog)

Het kwam er niet meer van. Sietze werd ziek, leefde maanden tussen hoop en vrees, en moest uiteindelijk het hoofd buigen voor de ziekte die hem sloopte. Kort voor zijn overlijden in februari 2019 vroeg hij mij zijn jubileumboek af te ronden en klaar te maken voor publicatie. Uiteraard stemde ik in.
Op basis van zijn inzet, geheugen, humor en schrijfkwaliteiten beschreef Sietze op lezenswaardige wijze de avonturen van een groep studenten in beleggingsland. En passant schetste hij een beeld van 50 jaar politieke, economische en sociaal-maatschappelijke ontwikkelingen in het na-oorlogse Nederland. Anders gezegd: Sietze schreef geschiedenis.
Het papieren boek is in een kleine oplage gedrukt en verspreid. Het is niet meer leverbaar. Wel is de digitale versie beschikbaar (zie hieronder)

Het huis waar oma leefde

Mei 2020 – Na het overlijden van mijn broer was ik wees in alle betekenissen van het woord: ik had geen ouders meer en mijn broer en zussen waren overleden. Ik weet niet of het daardoor kwam, maar ik kreeg er behoefte aan meer te achterhalen over mijn voorouders en hun levens. Tijdens die zoektocht ontdekte ik iets over Johanna Philomena Koppert, de moeder van mijn moeder, mijn oma dus. Ze stierf in 1941 en aangezien ik ter wereld kwam in 1951, heb haar nooit iets kunnen vragen.

Door stamboomonderzoek en dankzij gepensioneerd hovenier Piet van der Eijk, sinds mei 1979 eigenaar van het pand, kwam ik er achter dat mijn oma van haar zevende tot haar zeventiende jaar in het nu wit geschilderde huisje aan de Tramkade 14 in Schipluiden woonde. Piet van der Eijk beschreef de geschiedenis van het huis, die begon rond 1870. Zijn volledige verhaal is hier te vinden (even links op de pagina klikken op Tramkade Den Hoorn).

Uit zijn beschrijving:
“De 19e eeuwse burgemeester van Schipluiden D.J. Ammerlaan, Dirk voor wie hem kenden, was een belangrijke man. Hij woonde op de ‘boerderij-buitenplaats’ Kerkpolderkade 71 (nu Tramkade 24) in de Kerkpolder en heeft de voormalige boerderij Tramkade 14 laten bouwen. Behalve burgemeester was hij boer, eigenaar van een bank, hoogheemraad van Delfland, en kerkmeester van de Jacobuskerk. Hij kon goed bij de bel; dat is een lokale uitdrukking voor iemand die goed bij kas is. Hij had veel land in de Kerkpolder en de Hodenpijlse polder. In Delft aan de Vlouw 48 was hij sinds 1848 eigenaar van een heel groot pakhuis voor zijn boterhandel. De naam Ammerlaan staat heden ten dage nog steeds op dit voormalige bedrijfspand.
Op 29 december 1870 kreeg hij tijdelijk vrijstelling van grondbelasting voor het bouwen van een bouwmanswoning ofwel boerderij op de percelen C 351-357 aan de Tramkade tussen Den Hoorn en Schipluiden. Dat werd dus het pand Tramkade 14. Een bouwtekening is helaas niet bewaard gebleven.
In deze omgeving verrees dus de nieuwe boerderij van Dirk Ammerlaan, die hij verhuurde aan Dirk Koppert (de vader van mijn oma – JdG). Pachter Koppert betaalde in 1872 (met kerstmis) 2.377 gulden pacht voor woning, schuur en bijna 26 ha land. Ammerlaan had het land in de Kerkpolder rond 1843 gekocht van Ary Koppert, de vader van Dirk. Dirk woonde er met zijn gezin tot 1882 en vertrok vervolgens naar Schiedam. In 1879 betaalde hij voor het laatst pacht aan Ammerlaan, 1.890 gulden.”
Met Ammerlaan liep het slecht af: van 1850 tot circa 1875 zagen boeren in de regio hun inkomsten jaarlijks toenemen en lonkte een toekomst van gouden bergen. Veel boeren leenden grote bedragen voor investeringen in land en nieuwe boerderijen. Toen vanaf 1875 de landbouwprijzen kelderden, spatte de zeepbel uiteen ten koste van veel slachtoffers. Ammerlaan was er daar hoogstwaarschijnlijk één van. Op 1 mei 1880 maakte hij een eind aan zijn leven. Na zijn overlijden bleken er grote schulden te zijn.”
Dirk Koppert verhuisde met zijn gezin naar Schiedam. Mijn oma huwde Schiedammer Herman Hodes en kreeg met hem zeven kinderen (onder wie een doodgeboren kind). Kort na de geboorte van mijn moeder als laatste kind verhuisde het gezin naar Den Haag.

Dorp in oorlogstijd

Mei 2020 – Zoals zo veel dorpen en steden in Nederland had ook de dubbelgemeente Woubrugge/Hoogmade te kampen met de ellende van de bezettingsjaren 1940-1945. In 1998 werd ik benaderd door de Historische Vereniging ‘Otto Cornelis van Hemessen’ met de vraag de vele tientallen op papier gezette herinneringen van de bewoners te bundelen in een boek. Het was schrikken toen de verzameling bij me werd afgeleverd: het bleek een stapel van zo’n anderhalve meter hoog te zijn. Sommige verhalen waren keurig getypt in een begrijpelijk volgorde, andere vellen stonden vol handgeschreven herinneringen. Complicatie was de overlap tussen verhalen, de dubbelingen en de soms verschillende interpretaties van op dat moment meer dan 50 jaar oude herinneringen. Maar hoe meer orde er in de chaos kwam, hoe meer het dorp in bezettingstijd voor me ging leven, hoe aangenamer de schrijfklus werd. Ik leerde ze kennen, verzetsman Jan Hopman, burgemeester Dick Rijnders, oud-KVP-politicus Norbert Schmelzer, die onderdak vond in het plattelandsdorp, verzetsheld Karel van Seventer, twee maanden voor de bevrijding laf vermoord door een Duitse officier en al die andere bestuurders en dorpelingen voor wie het leven vijf jaar lang soms verbazingwekkend normaal leek en op andere momenten gruwelijk, zoals ten tijde van de dood van de jonge moeder Lena Wittebol-Gerritsen (29) die tijdens het ophangen van de was in haar tuin werd getroffen door scherven van een door de Duitse luchtmacht afgeworpen bom.
‘De Duitsers hebben het mooie boerenland beschadigd en gehavend,’ stelde burgemeester Rijnders kort na de oorlog vast, ‘maar ze hebben de geest van de gemeenschap niet gebroken.’

Klik op de titel hieronder voor een pdf-versie van de integrale tekst.

Uitgesproken rechters

Mei 2020 – Wie zijn de Nederlandse rechters? Wat is hun achtergrond? Hoe gaan ze om met politieke en maatschappelijke ‘bemoeienis’ met hun werk? Hebben ze nooit last van twijfel? Hoe komen ze thuis na een werkdag tijdens welke ze iemand tien jaar cel hebben gegeven? Weten ze wel wat tien jaar cel betekent? Nieuwsgierig naar antwoorden op die vragen interviewde ik, samen met collega-journalist Jiska Vijselaar, tien Nederlandse (oud-)rechters. Op basis van lange gesprekken schreven we tien portretten die de lezer een verrassende kijk bieden in de gedachtewereld van mensen uit een midden in het maatschappelijke debat staande beroepsgroep. Aan het woord komen Govaert Kok (oud-president Hof Den Haag), Ian Pieter de Bie (vice-president Rechtbank Zutphen), Frans Bauduin (vice-president Rechtbank Amsterdam, sector Strafrecht), Bert van Delden (voorzitter Raad voor de Rechtspraak), Huub Willems (voorzitter Ondernemingskamer), Anne van der Putt-Lauwers (Hoge Raad), Conny van den Boogaard (Vreemdelingenrechter), Sonja de Pauw Gerlings-Döhrn (kinderrechter), Frank Visser (Rijdende rechter) en Willy Thomassen (rechter bij het Europese Hof voor de rechten van de mens).
(voor alle genoemde functies geldt dat ze werden bekleed ten tijde van het verschijnen van het boek).
‘Uitgesproken, rechters in Nederland’, verscheen in 2004 bij SDU Uitgevers. Truus van Gog maakte de foto’s. Het boek is niet meer via de geëigende kanalen te verwerven, wel hebben de auteurs nog een enkel exemplaar beschikbaar.

Klik op de namen hieronder voor een pdf-versie van de artikelen.

Willy Thomassen, rechter bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg.

Huub Willems, voorzitter van de Ondernemingskamer.

Frank Visser, de ‘Rijdende Rechter’ van de televisie.

Bert van Delden, voorzitter van de Raad voor de Rechtspraak.

Anne van der Putt-Lauwers, lid van de Hoge Raad en voorzitter van de Belastingkamer

Govaert Kok, oud-president van het Gerechtshof Den Haag.

Sonja de Pauw Gerlings-Döhrn, kinderrechter.

Postume eer voor vergeten kunstenaar

Mei 2020 – Mijn vader zaliger – hier op archiefbeeld – was graficus. Een groot deel van zijn leven bracht hij door als ontwerper, drukwerkbegeleider en bedrijfsleider in dienst van commerciële drukkerijen. Mijn vader was geen prater. Toen zijn overlijden naderde en ik daarover met hem in gesprek wilde gaan, was zijn reactie: ‘Daar hoef jij je toch geen zorgen om te maken?’ Zo’n opmerking was tekenend voor hem.

Ooit gaf hij me aantal etsen van bekende vooroorlogse kunstenaars. Pas na veel doorvragen vertelde hij me dat hij in zijn jonge jaren etsdrukker was geweest en dat kunstenaars als Hendrikus Elias Roodenburg (1895-1987), Adriaan van ’t Hoff (1893-1939) en Martin van Waning (1889-1972) speciaal op hem een beroep deden omdat hij de techniek van het kleurenetsdrukken beheerste als weinig anderen.

Een van de etsen uit de serie die mij me schonk, was een klein stilleven. Het viel me op dat het was gesigneerd met Th. A. de Gruiter 1922. ‘Een probeerseltje uit mijn jeugd’, verklaarde hij schouderophalend. Ik vroeg niet door en heb het dus nooit rechtstreeks uit zijn mond kunnen optekenen, maar ik ben ervan overtuigd dat mijn vader kunstenaar had willen worden, maar zichzelf niet goed genoeg vond en daarom koos voor een betrekking in loondienst. Hij werd etsdrukker en graficus en later bedrijfsleider bij een grote drukkerij in Den Haag.
Lang na zijn dood in 1987 ontdekte ik iets opmerkelijks: het ‘probeerseltje uit zijn jeugd’ blijkt deel uit te maken van de prentencollectie van het Rijksmuseum in Amsterdam.

De prentencollectie van het Rijksmuseum behoort tot de grootste en beste ter wereld. De verzameling omvat ruim een half miljoen gravures, etsen, houtsneden, litho’s en bladen in andere grafische technieken, en bestrijkt een periode van circa 1440 tot nu. Van de middeleeuwse Meester van het Amsterdamse Kabinet tot de 20ste-eeuwse kunstenaar Carel Visser. De collectie is beroemd dankzij de prenten van Rembrandt en andere Nederlandse meesters, maar evenzeer vanwege de werken van grote Europese en Japanse prentmakers zoals Dürer, Raimondi, Tiepolo, Canaletto, Utamaro en Hokusai. Daarnaast bevat het prentenkabinet omvangrijke deelcollecties, waaronder historie-, portret-, mode- en ornamentprenten, topografie, sierpapier en volksprenten.

De kern van de collectie is in 1807 aangekocht door de toenmalige koning van Holland, Lodewijk Napoleon. De verzameling is sindsdien uitgebreid met tal van belangrijke aankopen en schenkingen. Dankzij het fonds dat in 1934 is nagelaten door de prenthistoricus F.G. Waller, wordt de verzameling jaarlijks verrijkt met honderden nieuwe aanwinsten. Volgens conservator prenten en tekeningen 20ste eeuw van het Rijksprentenkabinet (RPK) Alied Ottevanger is de ets van mijn vader in 1937 als onderdeel van het legaat van F.G. Waller in de collectie van het RPK opgenomen. Hij heeft het nooit geweten, maar ik denk dat pa apetrots zou zijn geweest. Daarom dit postume eerbetoon.

De tragische dood van opa Herman

Mei 2020 – Zoals meer mensen heb ik twee opa’s en twee oma’s gehad, maar ik heb ze geen van vieren gekend. Ze waren overleden voor mijn geboorte en ik heb ze ook niet leren kennen uit verhalen: er werd in ons gezin zelden over het verleden gesproken (de bezettingsjaren hadden grote invloed gehad) en dom genoeg heb ik er te weinig naar gevraagd.
De afgelopen jaren – dus veel te laat – ben ik op zoek gegaan naar kleine draadjes die me iets over hun bestaan kunnen vertellen.
Van drie van de vier opa’s en oma’s heb ik foto’s, van opa Herman Hodes, de vader van mijn moeder, geen enkele. Geen foto, alleen een vergeeld krantenknipsel (drie hoeraatjes voor het internet en digitale archieven) over het ongeluk dat hem het leven kostte.

Mijn opa heette Hermanus Johannes; waarom de krant hem H. H. noemt is mij een raadsel. Hij stierf op 60-jarige leeftijd nadat hij op 4 januari 1925 uit een tram op het Haagse Schalk Burgerplein was gevallen. Aanvankelijk leden zijn verwondingen mee te vallen, want hij slaagde erin lopend zijn woning in de Kritzingerstraat (een paar honderd meter verder) te bereiken. Volgens de Haagsche Courant van 8 januari 1925 verergerde zijn toestand en was opname in het Zuidwalziekenhuis gewenst. In de middag van 6 januari overleed hij daar, volgens de krant aan de gevolgen van een hersenschudding. Hij liet een vrouw en zes kinderen achter, onder wie mijn moeder, op dat moment 19 jaar oud.

Met Hans Vermeulen
in de Boterwaag

Mei 2020 – In het vroege voorjaar van 2009 ontmoette ik singer/songwriter Hans Vermeulen in de Haagse Boterwaag. Ik interviewde hem voor een artikel in het Haagse weekblad Den Haag Centraal. Hans sprak over zijn tijd met de Sandy Coast, zijn successen als solo-artiest en -componist, zijn problemen met de belastingdienst en over Thailand, zijn nieuwe vaderland. Kort na het gesprek – en de publicatie van het interview – trad hij op in Diligentia. Ter gelegenheid daarvan werd Decades uitgebracht, een verzamel-CD met de beste nummer uit Hans’ muzikale loopbaan. Het inlegvel bevatte een deel uit de weergave van het interview – volgens Hans ‘het beste verhaal dat ooit over mij geschreven is’. Hans Vermeulen overleed in november 2017, 70 jaar oud, in Thailand, het land waar hij zich, naar eigen zeggen, vanaf zijn eerste bezoek thuis voelde.

Klik voor een pdf-versie van het artikel op

De sfeerimpressie die Cees Troost van Voorburgbands maakte tijdens het vraaggesprek.

Vincents
laatste
kamer

Juni 2020 – Over het leven van kunstschilder Vincent van Gogh is veel bekend. Hij werd geboren in Zundert (Brabant) op 10 maart 1853 en hij overleed 37 jaar later, op 29 juli 1890 in het Franse Auvers-sur-Oise (iets boven Parijs). In Nuenen schilderde hij ‘De Aardappeleters’ in traditioneel sombere, donkere tinten. Via omzwervingen kwam hij terecht in Arles en werd daar geïnspireerd door de kleuren, de zon en de warmte. In februari 1888 arriveerde hij in de Zuid-Franse plaats en huurde het zogenoemde ‘Gele Huis’ (bekend van een van zijn schilderijen). Het is onvoorstelbaar dat hij vanaf zijn aankomst in Arles tot zijn dood, twee jaar later, veel van zijn bekendste werken maakte, waaronder zijn beroemde zonnebloemschilderijen en het ‘Caféterras bij nacht’.
De afgelopen jaren bezochten wij een aantal van de plekken waar Van Gogh leefde en werkte. Het imposantste was misschien het bezoek aan de zolderkamer van Auberge Ravoux in Auvers-sur-Oise, waar hij de laatste weken van zijn leven overnachtte en waar hij stierf nadat hij zichzelf had verwond met een pistoolschot. In de gelagkamer van Ravoux, waar ooit zijn kist stond opgesteld voor hij naar de lokale begraafplaats werd gebracht, dineerden wij met gepaste eerbied.

AbvaKabo in verzet

Mei 2020 – In mijn boekenkast staat een dik, rijk geïllustreerd boek over een actieperiode van de FNV-ambtenarenvakbond AbvaKabo in de hete herfst van 1983. Bestuur en leden van de vakbond kwamen twee maanden, zoals dat in vakbondskringen heet, ‘in verzet‘ tegen de voor het jaar 1984 aangekondigde bezuinigingen op het salaris van ambtenaren en trendvolgers (werknemers in de zorg, politie, onderwijs, gevangeniswezen, gemeentelijke diensten en andere (semi-)overheidsdiensten. Het boek was opgedragen aan de stakers, stiptheidswerkers en demonstranten en liet velen van hen aan het woord. Stakingsleider Jaap van de Scheur schrijft in zijn voorwoord: ‘Uit een gevoel van diepe wrok jegens het onrecht gingen wij de strijd in. het kabinet stuurde door zijn machtsstreven aan op een harde confrontatie, en die heeft gekregen. Wij kwamen in verzet tegen onrecht en voor een gelijke behandeling.’ Ik werkte aan het stuk geschiedschrijving mee in de vorm van artikelen over de rol van premier Ruud Lubbers in het conflict, over de belevenissen van stakingsleider Jan van Schijndel van het Rotterdamse openbaarvervoerbedrijf RET, over de staking in de Rotterdamse haven en over andere gebeurtenissen. Teksten en foto’s in het boek tonen een wilde periode met felle acties en veel solidariteit tussen de actievoerders onderling. Een zo allesomvattende actie als deze heeft zich na 1983 niet meer voorgedaan.